Paul

Teh missus heeft klachten, de laatste tijd. Over stank in huis en vreemde geluiden uit de pompbak in de keuken. Conclusie: verstopte afvoer. Dat moet opgelost worden, liever vandaag dan morgen, want het reukorgaan van teh missus is goed ontwikkeld (qua waarneming, niet qua uiterlijk. Qua uiterlijk is het vrij poezelig. Exact het tegenovergestelde van het mijne, dat veel plaats inneemt maar amper iets registreert).

Aan de slag dus met ontstoppers en kokend water en soda en azijn en alle andere mogelijke lapmiddelen die het internet rijk is, maar geen vooruitgang. Dan maar een ontstoppingsfirma gebeld. Die moeten blijkbaar in de controleputten in de voortuin zijn, en dat is een probleem. In die voortuin bewaar ik namelijk mijn netel- en distelverzameling, samen met wat steenpuin en aarde van de buren*.

*Ik heb nog geen buren. Wel een buurhuis in aanbouw. En er was geen plaats ter wereld waar de aannemer van dat buurhuis in aanbouw met de uitgegraven aarde en het steenpuin heen kon, behalve in mijn voortuin. “Maar we ruimen dat wel op, mijnheer”. Yeah, right.

Aangezien ik een vaag vermoeden heb van waar die putten zitten, vanmorgen gewapend met een spade het netelwoud ingetrokken en aan het spitten geslagen. En klein kwartier laten was het al klaar: twee putdeksels, makkelijk toegankelijk voor diegene die de drek uit onze buizen moet halen. Die namiddag met blij gemoed de oudste van school gehaald, om bij thuiskomst de camionette van de ontstoppingsfirma aan te treffen. Samen met een bezorgd kijkende missus.

De putten die ik had blootgelegd waren namelijk niet de juiste putten. En geen juiste putten, geen ontstopping. Meteen de spade van stal gehaald en als een bezetene beginnen rondprikken in de hoop snel een bevrijdende ‘klonk’ te horen, doch helaas. Een ietwat meewarige kijkende onstoppingsmijnheer zei na vijf minuten dat hij wel zou terugkomen wanneer ik ze gevonden had. Dag ontstoppingsmijnheer, dag ontstopping, dag honderd euro verplaatsingskosten.

Plannen van het huis bij mekaar gezocht, foto’s van de bouw opgediept, maar nergens uitsluitsel van waar die putten juist zitten, op een paar vierkante meter na. Geen andere optie dan graven, en blijven graven.

Terwijl ik in het zweet mijns aanschijns het steenpuin te lijf ga, komt Paul aangewandeld. Paul is onze overbuur. Een jaar of zestig, zilverwit haar, bijzonder sympathiek maar vrij zwijgzaam. De gesprekken die Paul en ik hebben beperken zich meestal tot het in complete stilte naar zijn schapen kijken, die in de weide achter onze tuin staan. Paul vindt het op die manier dik in orde, en ik ook.

“Verstopping?”, vraagt hij. Er is niet veel dat Paul ontgaat. “Ja”, zeg ik, “Maar ik weet niet waar mijn controleputten zitten”. Hij kijkt rond en vraagt of ik plannen van het huis heb. Als ik met het gevraagde plan terugkom, is Paul al aan het graven. Op de tijd waarin ik amper een deuk in het gras sla, zit hij een goeie veertig centimeter diep. In steenpuin. Hij werpt een snelle blik op het plan en graaft verder.

Maar de plannen van ons huis liegen. Geen putdeksel te vinden waar een putdeksel zou moeten zijn. Paul heeft, toen ik even naar binnen was gehost om meer foto’s te zoeken, zijn eigen spade gehaald en graaft in gezwind tempo verder, terwijl ik doelloos kiezels en sprietjes gras opschep. Kuil na kuil wordt opengelegd en weer dichtgegooid, zonder resultaat. Ik denk ondertussen aan de quiche die ik eigenlijk ging maken. En aan mijn pijnlijke handen en armen, van al die noeste arbeid. Paul gaat onverstoorbaar door, ook als ik voorzichtig aangeef dat ik morgen gerust wil verder werken en dat het toch wel laat wordt.

Een uur graven verder en nog geen putdeksel te zien. Wel de septische put teruggevonden, en wat buizen die van hier naar daar gaan. Het is officieel donker aan het worden, maar Paul wil van geen wijken weten. En dan, een vrolijke drie meter van de plaats waar het volgens het plan zou moeten zitten, stoten we (Paul) op het eerste deksel. Paul haalt een koevoet, wrikt de put open en duikt meteen met zijn arm het gapende gat in. “Geen verstopping”, zegt hij. “Nog lang geen quiche”, hoor ik.

Niet zo heel veel later vinden we (ik, deze keer) ook het tweede deksel. Paul werpt een blik in de put, en beent weg. Om terug te komen met een lange, dikke ijzerdraad, die meteen in de afvoerleiding verdwijnt. Die ijzerdraad blijft het komende half uur verdwalen in onze afvoerbuizen, zonder de plaats des onheils te vinden. Tot Paul besluit dat het genoeg geweest is en met een gemompelde ‘als we kunnen helpen doen we dat graag’ huiswaarts keert, en ik kan aan de quiche beginnen.

Jammer dat ik die middag het bladerdeeg vergeten ben in de winkel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s